Slapend dienstverband; mag het of mag het niet?

Maanden nadat de rechtbank Limburg de zogenaamde prejudiciële vragen heeft gesteld aan de Hoge Raad met betrekking tot het slapend dienstverband geeft de Hoge Raad hierover duidelijkheid.

De rechtbank Limburg heeft aan de Hoge Raad gevraagd of, en zo ja, onder welke omstandigheden een werkgever als goed werkgever ex artikel 7:611 BW dient in te stemmen met het voorstel van een langdurig arbeidsongeschikte werknemer om tot beëindiging van het slapend dienstverband over te gaan met betaling van een transitievergoeding aan de desbetreffende werknemer.

Voorafgaand aan het oordeel van de Hoge Raad wordt door de advocaat-generaal een advies geschreven. De advocaat-generaal heeft in zijn advies voornoemde vraag als volgt beantwoord. De advocaat-generaal is van mening dat de werkgever in het kader van goed werkgeverschap dient mee te werken aan het beëindigen van het slapend dienstverband onder toekenning van een transitievergoeding. Dit mede met inachtneming van het feit dat wettelijk is geregeld dat het UWV de werkgever compenseert voor betaling van de transitievergoeding aan langdurige arbeidsongeschikte werknemers. Het verweer van de werkgever dat dit hoge kosten met zich mee brengt, gaat derhalve niet op.

De Hoge Raad heeft het advies van de advocaat-generaal gevolgd. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat op grond van het goed werkgeverschap ex artikel 7:611 BW de werkgever de werknemer niet in een slapend dienstverband mag houden om zodoende de transitievergoeding te kunnen ontlopen.

Dit betekent dat, als een arbeidsongeschikte werknemer het slapend dienstverband wenst te beëindigen onder vergoeding van de wettelijke transitievergoeding, de werkgever hieraan dient mee te werken, tenzij er gerechtvaardigde belangen zijn om de werknemer in dienst te houden, zoals in het geval van uitzicht op re-integratie.

Wilt u meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact met ons op.